Stavanger  –  Bergen

We gaan verder noordwaarts naar Askje Hedlehaug, in stadsgebied Rogstad, vlakbij Vikeväg (59.062052 / 5.688879), het eerste eiland boven Stavanger, te bereiken via een tunnel, vlak erna een zijweg langs de kerk (parkeerplaats) nog iets verder lopen naar boven. Bij het gele huis volgen we het pad naar beneden, een indrukwekkend hoge en wat ruwe menhir staat hier in de wei.

Odilia laat via Margrete weten en voelen: Hier heb ik geen woorden voor, zo overweldigend.

Ik als representant voel een stille kracht vol liefde door mijn lijf gaan: Het is goed, ik voel me krachtig en voedend naar mijn omgeving. Er zijn wel wat verstoringen, de weg en die nieuwe huizen verderop, maar ik leef nog heel erg in de oude tijd, ik heb er sterke verbinding mee gehouden, en nu ook met het Grote Lichtwezen! Het is bijna als vanouds, het is goed, ’t ga jullie goed.

De menhir is in de regen nog majestueus te zien vanaf de veerboot.

 

Donderdag 8 juni. De volgende menhir treffen we na een flinke rit in de regen bij Store, Bjelland, Rogaland, Fister (59.178489 / 6.49964). Odilia laat weten: Aan zijn licht te zien is deze iets minder krachtig dan de vorige, maar ook prachtig en sterk, en in de heuvel bevinden zich nog kamers. 

Ik: Zeker weten dat ik er ben, ik voel me helder en rustig, de tijden zijn veranderd, de oude tijd ken ik nog, ik voel me er nog mee verbonden, ook met de mensen van toen. De mensen van nu verbinden zich niet meer, jullie ook niet, al weten jullie meer dan anderen; er zijn wel mensen die betrokken zijn bij mij, en voor mij zorg dragen, dat wel. Ik sta in mijn kracht.

Het Grote Lichtwezen van vroeger ken ik heel goed,  ze is zeer welkom, ze is wel heel lang weg geweest, maar nu heel welkom. Hij voelt heel rustig en gelijkmatig, krachtig.

 

Nog steeds rijden we langs de westkust, veel eilanden. Tweemaal nemen we een veerboot en na een heel lange rit in de regen langs een paar woeste rivieren Utboa, komen we in het gebied Helleristningar og Skälgropfelt (59.685420 / 5.605237). Na veel zoeken en navraag doen – niemand die iets van megalieten weet, in wat voor vorm ook afweet – vinden we uiteindelijk een pad. We weten dat we goed zitten omdat de reiswezens de plek al lang gevonden hebben.
Doordat we geregeld met Odilia contact maken kan zij ons laten weten dat we steeds dichterbij komen. Het heeft echter veel geregend, het pad is modderig, het struikgewas dichtbegroeid, en voor Margrete met haar gehandicapte been is het te riskant. Trouwens, voor mij eigenlijk ook, want we klimmen soms over flinke rotsen, en die zijn nu heel glibberig. Bovendien, weten we straks de weg terug te vinden? De reiswezens hebben aan Odilia de plaats kunnen tonen, en verteld dat het lastig te vinden is. Odilia laat weten dat wij, vanaf de plek waar we nu zijn, kunnen proberen contact te krijgen met een woordvoerder, want er zijn veel lichtwezens hier, ook al zijn ze flink ingeslapen; de deva is trouwens ook inactief, wellicht was het haar te zwaar geworden. De ontoegankelijkheid van het gebied is misschien ook wel “georkestreerd” door de lichtwezens, die eigenlijk niet meer door mensen gestoord willen worden en besloten hebben het erbij te laten zitten.

Ik als representant: Hallo, ik ben er, de meeste lichtwezens hier hebben het opgegeven. Ja, het Grote Lichtwezen heb ik wel waargenomen. Margrete geeft uitleg, dat het Grote Lichtwezen graag contact wil met de daar aanwezige lichtwezens van de stenen, of de woordvoerder dat door wil geven aan ze? Ja, ik zal mijn best doen. We lopen een stukje terug en op een plek waar we droog kunnen zitten gaan we proberen contact te krijgen met de plaatselijke deva. Odilia had al gezegd dat deze ook slaperig was, dus ik ging met zeer luide stem praten tegen Margrete die representant staat voor de deva. Margrete stapte toen uit haar rol en zei dat mijn luide stem wel heel dwingend en onprettig overkwam, en dat ’t dan zeker niet ging werken. Opnieuw (heel zachtjes en voorzichtig): Ik ben er.

Ik heb onze en Odilia’s bedoeling uitgelegd en vroeg of ze hieraan wilde meewerken. Ik zal mijn best doen, mag ik nu gaan? ja hoor, dank je wel.

Later vertelden de reiswezens dat ze gezien hadden dat de deva helemaal ineen was gekrompen van schrik, later had ze wel ondersteuning gekregen.

Ik kaartte een gesprek met de reiswezens aan: Waren jullie vroeger, voordat jullie bij ons kwamen, een reiswezen van iemand anders? Daar hadden ze geen idee van. Ik vroeg aan het reiswezen van Margrete: Waar was jij voordat je je bij Margrete voegde toen met dat hertenvlees eten? Geen idee. En aan de mijne: Herinner jij je die toestand toen ik als klein jongetje met mijn ouders op de hei in Drenthe was en ik moest poepen en mijn vader me maar 5 velletjes wc-papier meegaf, wat was ik kwaad! Ja, hoewel, het voelt bekend, maar misschien lees ik het wel af in jouw aura, dat zou ook kunnen. Ik ben daar eigenlijk niet zo mee bezig. We maken contact en vertellen ons verhaal en dan zijn we er klaar mee. Eigenlijk wil je zeggen: Wij leven in het hier en nu. Ja, we herinneren ons alleen iets als het heel bijzonder was. Ben je wel eens met mij mee geweest naar de dienst in onze kerk? Nee, dat is toch geen reis! Ik had meer gedacht aan het idee van een spirituele reis, maar ’t leek me zinloos om verder te vragen, hij was wel duidelijk geweest.

Toen ik wegreed, kwam er wat gemopper dat we de reiswezens niet geroepen hadden. We wisten toch dat jullie binnen waren, en daarna zijn we de auto niet meer uit geweest. Nou, het is toch fijn als we geroepen worden! We zullen ons best doen.

Runesteen bij Helleristningar og Skalgropfelt
Menhir bij Askje