Precies op 1 december een ingrijpende gebeurtenis voor onze vriendjes de reiswezens: het gezin dat verderop in de straat woont met de kindjes waar ze elke ochtend en elke avond even langs mogen, is geëmigreerd naar Zweden. We hoorden het al een paar dagen eerder van buurtjes, maar het komt, nu het zover is, toch als een zeer pijnlijk gemis aan. Want twee dagen voor hun vertrek waren de kindertjes al uitbesteed bij oma, en dat wisten we toen nog niet. Dus zomaar, ineens, wèg, geen kindjes meer! De reiswezens wilden toch nog graag even langs gaan, maar het hele huis was leeg; ze troffen er alleen de huisgeest, ook van slag. Waarschijnlijk hadden de ouders geen afscheid van ‘m genomen. Kortom, in hun termen: ui – ter – ma – te te – leur – stel – lend! Wat moeten we nu? Tja, er komen nog wat verhuizingen in de straat aan, hopen op nieuwe bewoners met kindertjes, maar of dat gaat gebeuren daar weten we niets van. Daar hebben we nu niks aan! Klopt, uithuilen misschien? Maak er maar een grapje van, dit is heel ernstig!
De dagen hier op volgend, als reactie:
’s Avonds, de dagsluiting, lieten we de reiswezens altijd naar de kindertjes verderop in de straat gaan, maar dat kan dus niet meer. Een waar gemis, ondervangen ze een beetje door een kletspraatje en door nog even bij het autowezen langs te mogen gaan om ‘m te vertellen of we de volgende dag met ‘m gaan rijden of niet. Helemaal niet dringend, maar het ondervangt ’n beetje het gemis aan het bezoek aan de kindjes. En verder vullen ze het gemis iets op met wat kletspraat. Gisteravond sloten ze af met: Ja we moeten maar gaan, want we zijn te druk voor haar (Margrete, ze praten via haar stem maar bewegen dan door haar hele lichaam), Ja, we voelen het, we zitten op onze praatstoel hè. we moeten weg, Daag!
Sommige ochtenden hetzelfde, of ze even bij de auto langs mogen gaan, b.v. deze : Gaan we met ‘m ontbijten! Grapje! Dag!
Hierbij aansluitend, ook heel ernstig: Onze reiswezens hebben een nieuwe kreet opgepakt: Foei! Krijgen we subiet te horen telkens als we ze ergens hebben vrij laten gaan en bij vertrek vergeten ze te roepen: Foei! Heel ernstig! Hebben ze op zich volkomen gelijk in, want we zouden ze zo kunnen kwijtraken, en dat zou het eind van hun leven inhouden, want zonder ons kunnen ze niet leven. Maar meestal betreft het dat we even na vertrek wel aan ze denken, en als ze er dan niet zouden zijn zouden we zeker terugrijden om ze alsnog op te halen. Komt trouwens zelden voor, want zij worden gewaarschuwd zodra we de auto starten (hebben ze zelf zo geregeld). Maar toch, Foei, klinkt wat archaïsch, maar toch terecht!
auto nog dichterbijZomaar nog wat reacties van /met onze reiswezens
Ik probeer altijd de auto zo dicht mogelijk bij ons huis te parkeren. Dat lukt bijna altijd binnen een dag want veel buren vertrekken ’s ochtends naar hun werk met de auto. Nu stond de auto zo dat we ‘m vanuit ons raam konden zien, maar er was nog een plaats nog dichterbij. Zou de auto daar verschil in beleven? Maar we hadden geen zin de kou te trotseren en besloten het onze jongens te vragen, wilden ze dat doen? Ja hoor, geen punt, want het autowezen is hun grote vriend, gaan ze graag even langs. Nog geen minuut later: We hebben ’t ‘m gevraagd, hij wil toch liever op die andere plek steen, vindt hij fijner. Maar we hebben ‘m niet gevraagd waarom, moet dat nog? Nee hoor, ik zal ‘m zo verplaatsen, wel bedankt! Ach, we willen ‘m graag ter wille zijn, we weten dat hij er moeite mee heeft hele tijden stil te staan, was hij niet gewend bij zijn vorige eigenaar, maar mopperen doet hij er nooit over.
glasbak
Nog een vraag: Margrete merkt dat als zij lege flessen in de glasbak gooit, het lijkt alsof de jongens nog even bij de glasbak blijven hangen alsof ze het leuk vinden. Wat voor lol beleven ze daar nou aan? Nou, het gaat niet om ons, maar om de glasbak, die is altijd heel blij als er glas in gegooid wordt, want dat is z’n taak, daar geniet hij van, en verder staat hij de hele dag daar maar stil. Dat is mooi om te zien hoe hij dan ervan glundert en helemaal gaat stralen. Daarom moet je ook niet al die flessen snel achter elkaar doen, maar er even wat rust tussen laten, dat is nog veel fijner voor ‘m! Fijn om te weten, kunnen we er rekening mee houden.
Margrete en ik maken wel eens afspraken om al dan niet bij de ijsbaan langs te gaan, proberen we zo te doen dat je reiswezens het niet te weten komen. Daarom gebruiken we dan synoniemen, zoals b.v. Jeweetwel, soms ingekort tot Jww. Maar ja, na twee keer hebben ze het wel door, komen ze ons vragen of we die dag nog langs gaan bij de Jeweetwel! Of bij de “daar hebben we het niet over”. Doet mij denken aan vroeger thuis, als mijn ouders in het Frans gingen bespreken of mijn vader ijs als dessert zou gaan halen. Ook al kende ik nog geen Frans, ik begreep maar al te goed waar ze het over hadden!
2e schaatsbaan
Overigens is aan de andere kant van het Kurhaus, dus op de boulevard, nog een schaatsbaan gekomen, soms ook lekker druk, vooral in de weekends. Maar minder leuk, heel chagrijnig contactwezen, wil helemaal geen contact met ons! Wel fijn al die kinderen natuurlijk.
Op een moment dat het in de oude schaatsbaan niet druk was, hebben ze aan het contactwezen daar gevraagd of hij even wilde meekomen naar de nieuwe schaatsbaan om daar aan het contactwezen te vertellen dat zij “goede gasten” zijn. Dat verzoek heeft hij ingewilligd, maar tot hun grote teleurstelling heeft het geen resultaat opgeleverd. Mijn vraag waarom ze dat zo graag willen: Nou wij kletsen toch graag, dan kunnen we aan hem ook onze verhalen vertellen.
Na verloop van een paar dagen blijkt er aan deze situatie niets veranderd te zijn: Het is echt een chagrijn! Als hij ons ziet gaan zijn haren overeind staan! Natuurlijk bij wijze van spreken, want hij heeft helemaal geen haren, en als hij ze al had, zouden wij ze niet zien, want wij hebben geen ogen. Maar toch is het zo! Terwijl die eerste van de oude tent ook niet altijd op onze verhalen zit te wachten, maar hij vindt het wel gezellig als hij ons ziet, en verder heeft hij vaak toch niets te doen, nou, wij zijn nou eenmaal kletskousen, hoewel we helemaal geen kousen dragen zoals jullie, dus nooit om een verhaaltje verlegen, vindt hij helemaal niet storend, hoort ie nog ’s wat, is echt een goede vriend van ons.
Scheveningse vreugdevuur
En dan oudjaarsdag, met nadruk op de avond natuurlijk.
’s Middags is Margrete al met onze jongens de reiswezens naar het strand getogen om de houtstapel voor het vreugdevuur te bekijken. Wel, die stond er al klaar en mooi te zijn, met een klein al brandend vuurtje ernaast, èn, voor de reiswezens belangrijker, al heel wat menselijke activiteit erom heen.
Scheveningsestrand voorbereidingen
En even verder op hetzelfde strand werden er tenten opgezet ter voorbereiding van de nieuwjaarsduik waar deelnemers zich verwarmd kunnen verkleden. En weer nóg interessanter, allerlei machines, voorheftrucs en bulldozers e.d. reden af en aan. Daarna mochten de jongens naar de schaatsbanen. Veelbetekenend dat ze dat niet deden maar al die machinewezens veel boeiender vonden en dus daar bij bleven.
En toen ’s avonds het gebeuren waar ze al de hele dag naar hadden uitgekeken: het grote vreugdevuur en vuurwerk! Margrete bleef thuis, niets voor haar met haar gevoelige hoofd, al die knallen, waren in huis al te horen. Ik ging er om half tien heen en verbaasde me er over dat ik onderweg geen mensen tegen kwam met vuurwerk. Maar eenmaal op de boulevard: wat een geweldig spetterend en groots spektakel, en ’t hield maar aan. Ik heb in mijn leven al heel wat vuurwerk gezien, maar dit overtrof alles, zo geweldig groots en mooi!
En voor de jongens het boeiendst: een immens grote mensenmassa met heel veel buitenlanders, dus extra interessante reiswezens!
Ik heb ze na afloop nog gevraagd hoe zij de vuurwerkwezens hebben beleefd: Ja, zo prachtig en blij, maar direct erna zijn ze weg; veel te kort om contact mee te maken. En ze glunderden extra helder en blij omdat er zo bewonderend naar ze gekeken werd.
Later op de avond zou het vreugdevuur ontstoken worden, maar daar heb ik niet op gewacht.
Kortom, heel tevreden reiswezens zo aan het einde van het jaar.